XIII
De stof van het verhaal, waarvan de hoodinhoud is een poging tot de verdelging van de vijf Pandawa's door hen levend te verbranden in een voor dat doel gebouwd licht-brandbaar paviljoen op aanstoken van den sluwen patih Sengkoeni, is ontleend aan het welbekende Sanskrit-werk, het Mahābhārata.
Allereerst merken we op, dat het paviljoen de naam Sigala-gala draagt, hetgeen letterlijk beteekent lak of hars, welk woord de Javaansche vertaling is van het Sanskrit jatu in het Mahābhārata. Het groote tijdsverschil tusschen het op schrift stellen van het Sanskrit-werk en het ontstaan van de Javaansche lakon kunnen we hierdoor constateeren, dat de stukken bamboe, waarvan het paviljoen opgetrokken is, niet met lak of hars, maar met buskruit worden gevuld.
Door en door Javaansch is de beschrijving van het drinkgelag in het paviljoen, waarbij de Koerawa's de Pandawa's dronken trachten te maken door op hen een dronk in te stellen, waarbij de Koerawa's achtereenvolgens naar rang en stand één voor één inschenken, welk gebruik we nu nog aantreffen bij de Javaansche danspartij.
Het wekken van Bima door aan het haar van zijn groote teen te trekken komt stereotyp voor in vele verhalen en is echt Javaansch van origine.
Tenslotte mogen we er op wijzen, dat het Jatughaparwa van het Mahābhārata slechts ten deele heeft bijgedragen tot den kerninhoud van het verhaal. Verschillende fragmenten zijn door den Javaanschen auteur zelf uitgedacht, hetzij met opzet, hetzij door misverstand ontleend aan passages uit het Sanskrit-werk. Het huwelijk van Bima met prinses Nagagini in de onderwereld bijvoorbeeld komt nergens voor in het Mahābhārata, waarin slechts verhaald wordt, dat toen Bima zich ophield bij den Nagavorst een plechtig feest voor zijn welzijn werd gevierd. De naam van de prinses is bepaald door den Javaanschen schrijver zelf verzonnen1.
Uit een en ander kunnen we concludeeren, dat het verhaal geen vertaling of bewerking is van een doorloopend fragment uit het Mahābhārata, doch dat het Sanskrit-werk slechts
1 Vgl. H. Kern, Verspreide Geschriften X, pg. 195.